Lichaamversiering is van alle tijden en komt voor in allerlei samenlevingen. Vroeger versierde iemand zijn lichaam om zich te kunnen onderscheiden of te kunnen aantonen bij een bepaalde groep te horen. Zo brachten Egyptische farao’s piercings in hun navels aan, Romeinse soldaten in hun tepels en Maya’s in hun tong om hun moed en mannelijkheid te bewijzen. In oosterse culturen versierden Hindoes en Chinezen hun lippen, kaken en tong met diverse materialen. In Europa en Noord-Amerika werden lichaamspiercings vooral gezien bij ‘punkers’ en bij aanhangers van subculturen als symbool van afwijking en opstand. Piercings zijn nu gemeengoed en worden steeds populairder, vooral bij jongvolwassenen. Het dragen van een piercing betekent tegenwoordig niet meer automatisch dat je tot een subcultuur behoort. Voor wie een mondpiercing overweegt of al gezet heeft, is de keuze van materiaal, de plaats in de mond, de kwaliteit van het aanbrengen en het onderhoud van groot belang. Niet alleen voor je mondgezondheid, maar voor je totale gezondheid.