Het zetten van een piercing gaat relatief snel en makkelijk. Verdoving is niet gebruikelijk. Sommigen voelen niets van de piercing. Anderen voelen zich een moment onaangenaam tijdens het prikken.
Het aanbrengen van een piercing moet met een nieuwe steriele canulenaald (infuusnaald) onder steriele omstandigheden gebeuren. Eerst markeert de piercer de plek waar de piercing moet komen. Controleer die zelf! Zorg er bij een tongpiercing voor dat deze ver genoeg naar achteren wordt geplaatst, zodat de piercing je tanden en tandvlees niet raakt. Dan desinfecteert de piercer het gebied waar je piercing komt. Vervolgens gaat de canulenaald door het weefsel. Het sieraad zit aan de stompe kant van de naald. Als hij de naald door het gaatje trekt, komt de piercing op zijn plaats. Soms komt hierbij wat bloed vrij. De piercer moet erop toezien dat de uiteinden van het sierraad goed vastzitten. Controleer dat zelf iedere dag zorgvuldig om er zeker van te zijn dat je piercing goed op zijn plaats blijft.

Hulpmiddelen
Erg beweeglijke lichaamsonderdelen, zoals de tong, kunnen vastgeklemd worden om ze stabiliteit te geven tijdens het doorboren. Bij de doorboring brengt de piercer een langer staafje in de tong aan omdat de tong zal opzwellen. Het voorkomt dat de piercing ingroeit. Piercings moeten zo veel mogelijk loodrecht door het weefsel worden aangebracht.